Wie bepaalt waar de uithuisplaatsing moet worden uitgevoerd?
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in een recente uitspraak weer eens bevestigd dat het de Gecertificeerde Instelling is die bepaalt waar de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden uitgevoerd.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige afgeven. De minderjarige wordt dan door de gecertificeerde instelling (GI) die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (bijvoorbeeld Jeugdbescherming Brabant of William Schrikker Stichting) gedurende dag en nacht uithuisgeplaatst. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Soms rijst er dan een geschil over de vraag waar de minderjarige geplaatst moet worden. Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld een netwerkplaatsing (en dus een plaatsing bij iemand uit het eigen netwerk zoals een oom en tante, opa of oma), plaatsing in een pleeggezin of plaatsing in een gezinsvervangende setting,
De rechter toetst echter alleen of aan de gronden voor een (verlenging van een) machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige wordt voldaan. Het is dan vervolgens de taak van de GI om uitvoering te geven aan de door de rechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Het is dus niet aan de rechter om aan de GI op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing van een minderjarige dient te worden gerealiseerd, behoudens bijzondere omstandigheden.
Deze bijzondere omstandigheden worden niet snel aangenomen. Ook niet in deze zaak. Desondanks heeft het hof de standpunten van de ouders en de GI over de verblijfplaats van de minderjarige wel inhoudelijk besproken ter zitting. Wellicht om vast te stellen of sprake is van bijzondere omstandigheden, maar het kan dus wel lonen om de situatie voor te leggen aan de rechtbank (of in hoger beroep aan het gerechtshof) als er discussie bestaat over de verblijfplaats van de minderjarige. De kans op succes blijft echter klein, vanwege de vergaande bevoegdheden van de GI.