Skip to main content

Nieuwsflits

16 november 2023

Indexatie alimentatie voor 2024 bedraagt 6,2%

Elk jaar verhoogt de overheid de alimentatiebedragen met een bepaald percentage. Dit heet indexering van alimentatie. In 2024 is het indexeringspercentage 6,2%. 

Dat betekent dat zowel de kinder- als de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2024 met 6,2% omhoog gaan. Een fors percentage! U dient er zelf voor te zorgen dat het nieuwe bedrag betaald wordt. Doet uw ex-partner dit niet, wijs hem of haar er dan op door een e-mail of een berichtje te sturen. Wordt er dan nog steeds niet met wettelijke indexering betaald? Neem dan gerust even contact op. 
05 september 2023

Kunnen partijen kiezen voor een strikt grammaticale uitleg van een bepaling uit een overeenkomst en daarmee de Haviltex-regel uitsluiten?

De Hoge Raad deed op 25 augustus 2023 uitspraak. (ECLI:NL:HR:2023:1131) 

In deze casus zijn partijen met elkaar gehuwd geweest. De echtscheiding is uitgesproken op 24 december 2008, de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 22 januari 2009. In september 2009 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de partneralimentatie. In de considerans van deze vaststellingsovereenkomst is onder meer opgenomen: “Bij de uitvoering van de onderhavige overeenkomst prevaleert de letterlijke tekst van deze overeenkomst, in afwijking van het Haviltex-criterium, boven eventuele partijbedoelingen zodat dat bij geschillen die onverhoopt op welke wijze dan ook uit deze overeenkomst mochten voortvloeien, ook wanneer slechts een der partijen een geschil aanwezig acht, de competente rechter de bepalingen zoals opgenomen in de onderhavige overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen.” Verderop in de vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald: “De partneralimentatie zal eindigen op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op 24 mei 2021.”


Er is echter één probleem: de vrouw bereikte de bedoelde pensioengerechtigde leeftijd niet op 24 mei 2021, maar op 24 mei 2022. Er is dus sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid. Het is de vraag hoe hiermee moet worden omgegaan en welke datum moet worden aangehouden: de daadwerkelijke pensioendatum 24 mei 2022, of toch de letterlijk opgenomen datum 24 mei 2021.

Onder normale omstandigheden hoeft de rechter zich dankzij het Haviltex-arrest van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) niet blind te staren op de letterlijke tekst van een overeenkomst, maar kan hij bij de uitleg van (een bepaling uit) die overeenkomst rekening houden met de bedoelingen van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Van normale omstandigheden is hier echter geen sprake, omdat partijen het Haviltex-arrest hebben uitgesloten.

De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof terecht heeft vastgehouden aan de letterlijke tekst van de overeenkomst en dus aan de datum 24 mei 2021. In dat oordeel kan worden gelezen dat partijen (dus) zelf kunnen kiezen voor één wijze van uitleg van de overeenkomst en dat de rechter aan die gekozen methode van uitleg gebonden is.

Dit komt mij onwenselijk en zelfs onjuist voor. Met name omdat partijen in de overeenkomst hebben opgenomen, zelfs in dezelfde zin, dat de partneralimentatie eindigt 'op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt'. Duidelijk is dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd niet zou bereiken in 2021 en dat er dus sprake is van een (kennelijke) verschrijving. 

Het is mij niet duidelijk waarom het getal (2021) hier zwaarder weegt dan de tekst (de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt), zeker nu partijen met het getal (2021) een nadere uitleg hebben willen geven. Mijns inziens had de Hoge Raad (evenals het gerechtshof) de ruimte moeten voelen om alsnog tot uitleg van de overeenkomst over te gaan en voorrang te geven aan de duidelijke zinsnede vóór de (kennelijke) verschrijving van 2021. Juíst omdat sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid. In dit soort gevallen is het toch immers de rechter die een oplossing moet (kunnen) vinden en dat had mijns inziens gekund via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor heeft de Hoge Raad echter niet gekozen. 

25 mei 2023

Wie bepaalt waar de uithuisplaatsing moet worden uitgevoerd?

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in een recente uitspraak weer eens bevestigd dat het de Gecertificeerde Instelling is die bepaalt waar de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden uitgevoerd. 

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige afgeven. De minderjarige wordt dan door de gecertificeerde instelling (GI) die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (bijvoorbeeld Jeugdbescherming Brabant of William Schrikker Stichting) gedurende dag en nacht uithuisgeplaatst. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 

Soms rijst er dan een geschil over de vraag waar de minderjarige geplaatst moet worden. Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld een netwerkplaatsing (en dus een plaatsing bij iemand uit het eigen netwerk zoals een oom en tante, opa of oma), plaatsing in een pleeggezin of plaatsing in een gezinsvervangende setting, 

De rechter toetst echter alleen of aan de gronden voor een (verlenging van een) machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige wordt voldaan. Het is dan vervolgens de taak van de GI om uitvoering te geven aan de door de rechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Het is dus niet aan de rechter om aan de GI op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing van een minderjarige dient te worden gerealiseerd, behoudens bijzondere omstandigheden. 

Deze bijzondere omstandigheden worden niet snel aangenomen. Ook niet in deze zaak. Desondanks heeft het hof de standpunten van de ouders en de GI over de verblijfplaats van de minderjarige wel inhoudelijk besproken ter zitting. Wellicht om vast te stellen of sprake is van bijzondere omstandigheden, maar het kan dus wel lonen om de situatie voor te leggen aan de rechtbank (of in hoger beroep aan het gerechtshof) als er discussie bestaat over de verblijfplaats van de minderjarige. De kans op succes blijft echter klein, vanwege de vergaande bevoegdheden van de GI.

29 maart 2023

Kun je in Nederland een genderneutraal paspoort aanvragen?

Sinds kort is het antwoord ja. In dit artikel wordt het wettelijk kader geschetst en vervolgens worden twee recente uitspraken besproken. 

Wettelijk kader 

Op grond van artikel 1:28 lid 1 BW kan iedere Nederlander van zestien jaar of ouder, die overtuigd is tot een ander geslacht te behoren dan vermeld in de akte van geboorte, daarvan aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Bij de aangifte moet een deskundigenverklaring worden overgelegd die niet ouder mag zijn dan zes maanden voor de datum van de aangifte. De deskundige moet verklaren dat degene op wie de aangifte betrekking heeft, heeft aangegeven de overtuiging te hebben tot een ander geslacht te behoren dan is vermeld in de geboorteakte, dat deze persoon de voorlichting over de reikwijdte en betekenis van deze staat heeft begrepen en de wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte weloverwogen blijft wensen.

Uitspraak Hoge Raad 4 maart 2022

Op 17 december 2021 heeft de Rechtbank Den Haag prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad naar aanleiding van een zaak over een persoon wiens geboorteakte het mannelijke geslacht vermeldt, maar die zich non-binair voelt en zich in het maatschappelijk verkeer als zodanig presenteert. Deze persoon had in het maatschappelijk verkeer hinder van de mannelijke geslachtsregistratie en wenste een wijziging in de geboorteakte. Een van de prejudiciële vragen van de rechtbank hield vereenvoudigd weergeven onder meer het volgende in:

“Kan de rechter, gezien de huidige wetgeving, de maatschappelijke en juridische ontwikkelingen alsmede de afwachtende houding van de wetgever, op basis van artikel 8 EVRM beslissen om een non-binair persoon een genderneutrale geslachtsregistratie toe te kennen? Of overschrijdt dit nog steeds de rechtsvormende taak van de rechter?”

De Hoge Raad overwoog dat de Nederlandse wet (nog) niet voorziet in een non-binaire geslachtsaanduiding in de geboorteakte en dat het in beginsel aan de wetgever is om voor non-binaire personen een wettelijke voorziening te treffen.

Wel zijn er recente ontwikkelingen bij de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Er is onder andere een amendement ingediend om de registratie van de 'X' als geslachtsaanduiding voor non-binaire mensen zonder tussenkomst van de rechter mogelijk te maken. De minister voor Rechtsbescherming heeft hierop gereageerd in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer.

De Hoge Raad overwoog daarom dat wetgeving op dit terrein in de nabije toekomst valt te verwachten en dat de prejudiciële vragen van de Rechtbank Den Haag zich om die reden niet lenen voor beantwoording: dat zou de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten gaan.

Uitspraak rechtbank Noord-Holland 20 februari 2023

In de zaak van 20 februari 2023 ging het om een 25-jarig persoon [A] die de Nederlandse nationaliteit heeft en van jongs af aan een non-binaire genderidentiteit heeft. Vanwege die non-binaire genderidentiteit verzocht [A] de rechtbank (onder andere) om de geboorteakte te wijzigen en de geslachtsaanduiding toe te voegen als 'X'.

De rechtbank oordeelt dat er een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen personen die de overtuiging hebben tot het andere geslacht te behoren en personen die zich genderneutraal voelen. Om die reden wijst het verzoek uiteindelijk toe en beveelt de ambtenaar van de gemeente om een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte van [A] met een wijziging van het geslacht naar 'X', zoals verzocht. Hiermee kan [A] voortaan beschikken over een genderneutraal paspoort.

Hoewel er dus geen wettelijke grondslag bestaat voor een verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding in een non-binaire aanduiding, oordeelt de rechtbank dat het verzoek op dezelfde wijze moet worden benaderd als die welke is omschreven in de artikelen 1:28a tot en met c BW, en die geldt voor mensen die de overtuiging hebben tot 'het andere geslacht' te behoren. 

De rechtbank overweegt dat de vermelding van het geslacht van [A] op de geboorteakte, namelijk 'F' (vrouwelijk), niet overeenkomt met de overtuiging van [A] niet tot het mannelijke of vrouwelijke geslacht te behoren. De deskundigenverklaring van de psychotherapeut van [A] bevestigt dat [A] goed geïnformeerd is over de betekenis van een genderaanduiding op een geboortebewijs en dat [A] weloverwogen een wijziging van de genderaanduiding in de geboorteakte wenst. De rechtbank heeft geen twijfel over de oprechtheid van [A].

Deze uitspraak is, samen met de jurisprudentie van de afgelopen jaren, een belangrijke stap in de erkenning van non-binaire personen en het bieden van gelijke rechten en kansen voor iedereen, ongeacht hun genderidentiteit.

20 december 2022

Het woonbudget: een wijziging in de berekening van partneralimentatie

Partneralimentatie wordt al jarenlang berekend volgens de aanbevelingen van de Expertgroep alimentatie.  Deze expertgroep heeft de zogenaamde Tremanormen ontwikkeld, welke normen regelmatig worden aangepast aan de ontwikkelingen in de maatschappij. Conform de huidige Tremanormen wordt bij de vaststelling van partneralimentatie gerekend met de werkelijke woonlast, mits deze niet onredelijk hoog is. Wat onredelijk hoog is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat maakt deze rekenmethode vatbaar voor discussies.

Per 1 januari 2023 maakt de Expertgroep een einde aan deze discussies door het woonbudget te introduceren. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de rekenmethode voor de kinderalimentatie, waarin al sinds 1 april 2013 gerekend wordt met een forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen.Volgens de nieuwe aanbevelingen van de Expertgroep gaan rechters, zowel voor de partner- als voor de kinderalimentatie, rekenen met een woonbudget ter grootte van 30% van het netto-inkomen. Uit dit woonbudget worden alle woonkosten betaald.  Als de werkelijke woonlasten hoger of lager zijn, wordt daar in principe geen rekening mee gehouden.

Er zijn nog wel uitzonderingen mogelijk. De aanbevelingen zijn immers geen wet, maar slechts richtlijnen. Het is mogelijk dat een onderhoudsplichtige er niet aan ontkomt om meer uit te geven aan wonen dan het vastgestelde woonbudget. De rechter kan daar rekening mee houden in de draagkrachtberekening, mits de hogere woonlasten niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Omgekeerd kan er ook gerekend worden met lagere woonlasten, als niet in de behoefte van de ex-partner (of de kinderen) kan worden voorzien. De woonlast moet dan wel duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. Tijdelijk intrekken bij iemand anders vanwege de scheiding valt hier bijvoorbeeld niet onder.

Omdat het niet redelijk is als de alimentatiegerechtigde na ontvangst van de alimentatie meer overhoudt dan de alimentatieplichtige, kan de rechter op verzoek van (een van de) partijen het inkomen van beide partijen met elkaar vergelijken. Op dit moment gebeurt dat nog middels de zogenaamde jusvergelijking waarin berekend wordt wat er overblijft aan vrije bestedingsruimte nadat aan de eerste levensbehoeften is voldaan.  Deze manier van rekenen wijzigt per 1 januari 2023. Vanaf dat moment wordt bekeken wat beide partijen feitelijk te besteden hebben na betaling van alimentatie. Bijzondere kosten die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn, worden in die vergelijking meegenomen, net als de kosten van de kinderen (voor zover die niet uit kindgebonden budget worden vergoed).

De Expertgroep adviseert de nieuwe aanbevelingen toe te passen in zaken die na 1 januari 2023 op zitting worden behandeld en waarbij de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatie op of na 1 januari 2023 ligt. In onderling overleg kan hiervan worden afgeweken. 

10 november 2022

Wettelijke indexing alimentatie 2023 bekend

Elk jaar verhoogt de overheid de alimentatiebedragen met een bepaald percentage. Dit heet indexering van alimentatie. In 2023 is het indexeringspercentage 3,4%. 

 
Dat betekent dat zowel de kinder- als de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2023 met 3,4% omhoog gaan. U dient er zelf voor te zorgen dat het nieuwe bedrag betaald wordt. Doet uw ex-partner dit niet, wijs hem of haar er dan op door een e-mail of een berichtje te sturen.
11 oktober 2022

Gezagsbeëindigende maatregel vernietigd door Gerechtshof

GERECHTSHOF DEN HAAG 07-09-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1769

Een mooie uitspraak van het Gerechtshof Den Haag op 7 september 2022: het Gerechtshof acht de door de rechtbank in haar beschikking van 18 november 2021 (C/09/616929 FA RK 21-5729) opgelegde gezagsbeëindigende maatregel niet in het belang van de kinderen noodzakelijk en vernietigt deze, ondanks het feit dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Het Gerechtshof heeft hiermee de belangen van de kinderen vooropgesteld en dat is iets wat in het jeugdrecht helaas lang niet altijd gebeurt.

Artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen indien:

  • een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of;
  • de ouder het gezag misbruikt.

In deze zaak staat niet ter discussie dat de kinderen zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen zijn in het gezin van de moeder geconfronteerd met ingrijpende gebeurtenissen, waaronder een herseninfarct van de moeder en het veelvuldig verhuizen van het gezin. Bij de kinderen is sprake van problematiek op verschillende vlakken, waaronder crimineel gedrag en schoolverzuim. Het voorgaande maakt dat de kinderen behoefte hebben aan een bovengemiddeld opvoedklimaat, waarvan duidelijk is dat de moeder niet in staat is om dit binnen aanvaardbare termijn te bieden. De kinderen zijn sinds eind 2017 uithuisgeplaatst en de moeder heeft niet langer een thuisplaatsing tot doel.

Het Gerechtshof is van oordeel dat in dit concrete geval de beëindiging van het gezag niet in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De moeder is, ondanks haar handicap en mede daaruit voortvloeiende onmacht om de verzorging en opvoeding van de kinderen blijvend vorm te kunnen geven, altijd een centrale rol blijven spelen in het dagelijks leven van de kinderen. Zij was feitelijk ook zelfs de enige stabiele factor in het leven van de kinderen, die de afgelopen jaren te maken hebben gehad met meerdere uithuisplaatsingen op verschillende plekken. Door de uitgebreide omgangsregeling, die goed verloopt, is er intensief contact tussen de moeder en de kinderen en is de moeder goed op de hoogte van al hun ontwikkelingen. De kinderen hechten er allen zwaar aan en hebben uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat het heel belangrijk voor hen is dat hun moeder door de uitoefening van haar gezag haar centrale rol bij hun dagelijks leven in volle omvang kan behouden. Gelet op de leeftijd van de kinderen (die zijn geboren in 2004, 2007 en 2008) en de wijze waarop zij hun gedachten en gevoelens hierover hebben verwoord, acht het Gerechtshof deze behoefte van extra groot gewicht. Verder is gebleken dat de moeder altijd zeer betrokken is geweest bij beslissingen over de kinderen. Het contact en de samenwerking met de hulpverlening, de gecertificeerde instelling en het gezinshuis verlopen goed. Niet is gebleken dat de moeder beslissingen frustreerde. Het Gerechtshof meent (net als de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling) dat de kinderen er belang bij hebben om duidelijkheid te hebben over de plek waar zij hun verdere jeugd zullen opgroeien. Anders dan de Raad voor de Kinderbescherming is het Gerechtshof evenwel van oordeel dat uit het kindgesprek en het verhandelde ter zitting is gebleken dat die duidelijkheid er voor hen is. Waar de moeder en de kinderen in het verleden nog aanstuurden op hereniging, staat het terugkeren naar het huis van de moeder thans niet meer ter discussie. Dat betekent dat de maatregel van beëindiging van het gezag van de moeder in dit geval niet noodzakelijk is.

Het Gerechtshof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel alsnog af. Het gezag van de moeder herleeft hiermee.

31 mei 2022

Partneralimentatie, hoe zit dat nou?

Sinds de invoering van de Wet Herziening Partneralimentatie op 1 januari 2020 is de maximale partneralimentatieduur verlaagd van twaalf naar vijf jaar. Op grond van artikel 1:157 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de hoofdregel nu dat de alimentatieduur in beginsel de helft van de duur van het huwelijk bedraagt, met een maximum van vijf jaar. De duur van het huwelijk wordt berekend vanaf de datum van het huwelijk tot de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank.

Op deze hoofdregel zijn drie uitzonderingen:

  1. Indien op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek de duur van het huwelijk langer is dan vijftien jaar en de alimentatiegerechtigde (degene die recht heeft op een uitkering tot levensonderhoud) binnen tien jaar de pensioengerechtigde leeftijd (artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet) bereikt, eindigt de alimentatieverplichting pas wanneer de alimentatiegerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; (artikel 1:157 lid 2 BW)
  2. Indien op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek de duur van het huwelijk langer is dan vijftien jaar en de alimentatiegerechtigde geboren is op of voor 1 januari 1970 en diens leeftijd meer dan tien jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, eindigt de alimentatieverplichting na tien jaar; (artikel 1:157 lid 3 BW)
  3. De alimentatieverplichting eindigt niet eerder dan op het tijdstip waarop de uit het huwelijk geboren kinderen de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt. (artikel 1:157 lid 4 BW)

Bij samenloop van de hierboven genoemde uitzonderingen geldt de langste termijn.

Tot slot is in artikel 1:157 lid 7 BW een hardheidsclausule opgenomen, waardoor in schrijnende situaties de alimentatietermijn kan worden verlengd. Het gaat dan om situaties waarin, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd dat hij of zij weer in het eigen levensonderhoud kan voorzien na ommekomst van de alimentatietermijn. Het verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule dient te worden ingediend vóórdat drie maanden sinds de beëindiging van de partneralimentatie zijn verstreken.

De rechter bepaalt of verlenging van de termijn al dan niet mogelijk is en zal met deze mogelijkheid zeer terughoudend omgaan. In de parlementaire stukken worden de volgende voorbeelden genoemd van schrijdende gevallen:

  • het in onvoldoende mate kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt door tijdens het huwelijk ontstane gezondheidsproblemen van de alimentatiegerechtigde of de zorg voor een gehandicapt kind;
  • de alimentatiegerechtigde die de zorg draagt voor een gehandicapt of ernstig ziek kind, of die langdurig en intensief belast is met mantelzorg voor andere familieleden;
  • de alimentatiegerechtigde die aantoonbaar aan de alimentatieplichtige heeft verzocht om zorgtaken voor de kinderen over te nemen en waarbij dit geweigerd is;
  • de alimentatiegerechtigde die voor of tijdens het huwelijk arbeidsongeschikt of ziek is geworden, waardoor hij of zij in de voor hem of haar geldende alimentatietermijn geen economische zelfstandigheid heeft kunnen bereiken.

Twijfel je over jouw situatie? Neem gerust contact met ons op. Vrijblijvend, uiteraard. 

25 april 2022

Schenking ouders ad € 72.000,- wordt op grond van beleggingsleer € 117.818,-

Een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland d.d. 12 april 2022 (gepubliceerd 19 april 2022), ECLI:NL:RBNHO:2022:3203

Partijen zijn op 18 februari 2011 bij de ouders van de man een lening van € 72.000,- aangegaan ten behoeve van de aankoop van een woning van € 275.000,-. Dit heet een eigenwoningschuld. Tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen heeft de man van zijn ouders een schenking ontvangen, voorzien van een uitsluitingsclausule, van € 72.000,- door middel van kwijtschelding van de eigenwoningschuld. Als partijen uit elkaar gaan, is de woning € 450.000,- waard.

In de procedure die gaat over de (gevolgen van de) ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen stelt de man dat hij een vordering heeft op de gemeenschap en dat op deze vordering de beleggingsleer van artikel 1:87 lid 2 sub a BW van toepassing is, zodat hij een vergoedingsrecht heeft van € 72.000,- / € 275.000,- * € 450.000,- = € 117.818,-. 

De vrouw betwist dit. Zij stelt dat partijen conform de geldleningsovereenkomst ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de schuld zodat de schenking van de ouders van de man door middel van de kwijtschelding van de eigenwoningschuld van partijen, ook ziet op het gedeelte van de schuld van de vrouw. Bovendien hebben partijen deze schenking grotendeels belastingvrij kunnen ontvangen omdat de vrouw nog geen 40 jaar was ten tijde van de schenking. De uitsluitingsclausule is hiermee volgens de vrouw buitenspel gezet.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:87 BW de echtgenoot die uit privévermogen de aanschaf van een gemeenschappelijk goed (deels) heeft gefinancierd, recht heeft op vergoeding van de inleg en naar rato van de inleg meedeelt in de waardestijging van het gemeenschappelijke goed (de beleggingsleer).

Naar het oordeel van de rechtbank doet het feit dat de schenking is gedaan in de vorm van een kwijtschelding van een eigenwoningschuld van partijen gezamenlijk, niet af aan de werking van de uitsluitingsclausule. Er is namelijk geen wezenlijk verschil tussen een schenking onder uitsluiting in de vorm van een kwijtschelding en het storten van een bedrag van gelijke omvang op de rekening van de man, waarmee de man vervolgens de gemeenschapsschuld zou aflossen. Ook het feit dat de man de schenking belastingvrij kon ontvangen doordat de vrouw, in tegenstelling tot de man, nog niet de leeftijd van 40 jaar had bereikt ten tijde van de schenking doet niet af aan de werking van de uitsluitingsclausule. Door de schenking van de ouders van de man is er privévermogen van de man ontstaan dat is aangewend om een gemeenschapsschuld te voldoen. Hierdoor is een vergoedingsrecht ontstaan van de man waarop de beleggingsleer van toepassing is. De man komt zodoende een vergoedingsrecht op de gemeenschap toe van: € 72.000,- (de schenking) / € 275.000,- (de aanschafwaarde van de woning) * € 450.000,- (de taxatiewaarde van de woning) = € 117.818,00,-.

21 april 2022

Arbeidsrecht, loonvordering over inlogtijd

Inlogtijd.

Werknemer vordert betaling van achterstallig loon. De werknemer in kwestie diende 10 minuten voorafgaand aan zijn dienst aanwezig te zijn. In deze 10 minuten moest de werknemer inloggen zodat hij stipt om 09.00 uur zijn eerste call kon aannemen.

De kantonrechter heeft besloten dat het achterstallige loon door de werkgever aan de werknemer moet worden uitbetaald omdat aan de 3 gestelde voorwaarden is voldaan, deze voorwaarden zijn als volgt:

1. Gelden er instructies gedurende deze 10 minuten?

2. Gaat het om voorbereidende werkzaamheden?

3. Wordt de werknemer hiertoe verplicht?

In deze zaak werd aan al deze voorwaarden voldaan en kreeg de werknemer zijn loonvordering toegewezen. Als je vragen hebt over dit onderwerp neem dan gerust contact op met Marieke Simons van Smeulders & Simons Advocaten: 0162-700526 of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Gratis en vrijblijvend kennismakingsgesprek

Bij Smeulders & Simons Advocaten ben je van harte welkom voor een gratis en vrijblijvend kennismakingsgesprek. Heb je een juridisch probleem of twijfel je of je juridische bijstand nodig hebt, neem dan gerust contact met ons op!