Kunnen partijen kiezen voor een strikt grammaticale uitleg van een bepaling uit een overeenkomst en daarmee de Haviltex-regel uitsluiten?
De Hoge Raad deed op 25 augustus 2023 uitspraak. (ECLI:NL:HR:2023:1131)
In deze casus zijn partijen met elkaar gehuwd geweest. De echtscheiding is uitgesproken op 24 december 2008, de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 22 januari 2009. In september 2009 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de partneralimentatie. In de considerans van deze vaststellingsovereenkomst is onder meer opgenomen: “Bij de uitvoering van de onderhavige overeenkomst prevaleert de letterlijke tekst van deze overeenkomst, in afwijking van het Haviltex-criterium, boven eventuele partijbedoelingen zodat dat bij geschillen die onverhoopt op welke wijze dan ook uit deze overeenkomst mochten voortvloeien, ook wanneer slechts een der partijen een geschil aanwezig acht, de competente rechter de bepalingen zoals opgenomen in de onderhavige overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen.” Verderop in de vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald: “De partneralimentatie zal eindigen op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op 24 mei 2021.”
Er is echter één probleem: de vrouw bereikte de bedoelde pensioengerechtigde leeftijd niet op 24 mei 2021, maar op 24 mei 2022. Er is dus sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid. Het is de vraag hoe hiermee moet worden omgegaan en welke datum moet worden aangehouden: de daadwerkelijke pensioendatum 24 mei 2022, of toch de letterlijk opgenomen datum 24 mei 2021.
Onder normale omstandigheden hoeft de rechter zich dankzij het Haviltex-arrest van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) niet blind te staren op de letterlijke tekst van een overeenkomst, maar kan hij bij de uitleg van (een bepaling uit) die overeenkomst rekening houden met de bedoelingen van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Van normale omstandigheden is hier echter geen sprake, omdat partijen het Haviltex-arrest hebben uitgesloten.
De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof terecht heeft vastgehouden aan de letterlijke tekst van de overeenkomst en dus aan de datum 24 mei 2021. In dat oordeel kan worden gelezen dat partijen (dus) zelf kunnen kiezen voor één wijze van uitleg van de overeenkomst en dat de rechter aan die gekozen methode van uitleg gebonden is.
Dit komt mij onwenselijk en zelfs onjuist voor. Met name omdat partijen in de overeenkomst hebben opgenomen, zelfs in dezelfde zin, dat de partneralimentatie eindigt 'op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt'. Duidelijk is dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd niet zou bereiken in 2021 en dat er dus sprake is van een (kennelijke) verschrijving.
Het is mij niet duidelijk waarom het getal (2021) hier zwaarder weegt dan de tekst (de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt), zeker nu partijen met het getal (2021) een nadere uitleg hebben willen geven. Mijns inziens had de Hoge Raad (evenals het gerechtshof) de ruimte moeten voelen om alsnog tot uitleg van de overeenkomst over te gaan en voorrang te geven aan de duidelijke zinsnede vóór de (kennelijke) verschrijving van 2021. Juíst omdat sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid. In dit soort gevallen is het toch immers de rechter die een oplossing moet (kunnen) vinden en dat had mijns inziens gekund via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor heeft de Hoge Raad echter niet gekozen.